DE HOLLANDER NADER BESCHOUWD

 

Overgenomen uit Nieuwsbrief Hollanderclub nr. 24, december 2001.

Het hierna volgende artikel – overgenomen uit Fokkersbelangen – is een verslag van Jan van Lune van een lezing van Jan Derksen, over de Hollander, tijdens de jaarvergadering van de KKV in 2001. Jan besteedde tijdens deze lezing veel aandacht aan type, bouw, pels en aan de grijze kleurslagen. Gezien het bijzonder informatieve karakter van deze bijdrage vonden wij het – na overleg met Jan – aardig om deze op te nemen in de Nieuwsbrief.

 

Jan Derksen begon zijn heldere betoog met het bespreken van het type van de Hollander. Hij meldde dat type en bouw uitermate belangrijk zijn en goed omschreven moeten worden. Het type moet kort zijn en het lichaam breed met goed gevulde voor- en achterhand. Het dier moet massief zijn. Jan Derksen vergeleek de verhoudingen in het type met een halve cirkel. Het komt nog wel eens voor dat de dieren iets gestrekt zijn of een minder goed afgeronde achterhand hebben. Bij de beoordeling van de bouw moet ook gelet worden op de stand van de achterbenen. Deze moeten evenwijdig aan elkaar staan. De benen behoren stevig en kort te zijn en niet dun en lang, zoals nogal eens voorkomt. Dieren met dergelijke lange en dunne benen vertonen ook vaak en slechte stelling.

Veel aandacht werd gevraagd voor de oren en dan met name de oorvorm en oorstructuur. Bij veel rassen en zeker bij de Hollander wordt daar veel te weinig op gelet. Vaak zijn de oren wat dun van structuur en iets gevouwen. Fokkers moeten hier bij de fok meer aandacht aan geven. Ook zijn de oren vaak dun behaard en zitten er witte haren in. Net als afwijkingen in type en bouw moeten ook oorafwijkingen duidelijk vermeld worden op de beoordelingskaart.

Hierna werd de kop besproken. Deze moet bolvormig zijn, kort en breed. Gewaakt moet worden voor een 'wipneus' of een smalle kop.

Door alle hiervoor genoemde feiten ontstaat de valkuil van een grof dier dat weinig adel vertoont. Keurmeesters en fokkers moeten ervoor waken niet in deze valkuil te vallen.

 

De pels

De pels wordt bij de beoordeling van de Hollander vaak, onterecht, ondergeschikt gesteld aan de tekening. Sommige dieren bezitten een losse slappe pels. Ook zijn er vaak Hollanders die weinig onderwol bezitten. Bij het inblazen van de pels is dan de huid zichtbaar. Een pels met weinig onderwol is vaak wel mooi aanliggend.

Vervolgens werd ingegaan op de structuur van de pels. Het is een feit dat een fijne pels meer glans bezit dan een grove pels. Deze fijne pelzen zijn echter ook vaak wat dun. Hierdoor ontstaat een moeilijkheid bij de pels van de Hollander, want de meeste glans wordt, zoals gezegd, gevonden bij een fijne aanliggende pels met wat minder onderwol. Fokkers en keurmeesters moeten in dit alles de gulden middenweg zien te vinden.

Tenslotte werd als aandachtspunt de beharing aan de binnenzijde van de achterbenen bij overjarige dieren genoemd.

 

De grijze kleurslagen

Bij de Holander zijn de grijze kleurslagen konijngrijs, blauwgrijs, bruingrijs en gouwenaargrijs erkend. Jan Derksen begon met een indeling van de verschillende kleuronderdelen. Hij noemde hierbij de dekkleur, de tussenkleur aan dek, de grondkleur aan dek, de buikkleur, de grondkleur aan buik, de oogkleur en de kleur van de oogharen. Tevens liet hij de aanwezigen nadenken over de importantie van ieder afzonderlijk onderdeel in het totaalbeeld van de kleur. Daarna werd er ingegaan op de factoren die van invloed zijn op de kleur. Dit zijn:

«     Genotypische omstandigheden (erfelijke aanleg). De erfelijke aanleg wordt bepaald door de ouderdieren. Door gerichte inteelt kunnen bepaalde factoren vastgelegd worden. Ook ongewenste factoren worden echter vastgelegd en de vitaliteit van de dieren kan minder worden. Hier dient men terdege rekening mee te houden.

«     Fenotypische omstandigheden (de omgeving). De omgevingsfactoren zijn: voeding, verzorging en huisvesting. Ook deze factoren zijn van grote invloed op het tot stand komen van de kleur.

«     Leeftijd. Door de verschillende verharingsstadia van het konijn (1e , 2e , 3e) treedt er verschil in kleur op. Ook zijn oudere dieren vaak iets anders van kleur dan een jong dier.

 

Na deze uiteenzetting van de verschillende factoren die van invloed zijn op de kleur, werd een schematische uiteenzetting gegeven van mogelijke kleurfouten, de oorzaken en hoe met deze fouten omgegaan moet worden. Deze uiteenzetting staat hieronder vermeld. In het algemene deel wordt steeds zwart geschreven, zoals bij de kleur konijngrijs het geval is. De andere kleuren kunnen echter ook op dezelfde manier ingevuld worden.

 


Donker op dek

«     Dekharen rijk- en relatief ver zwartgepunt 

«     Oorzaak: genetisch

«     Gevolg: zwart te nadrukkelijk aanwezig t.o.v. bruingrijze kleur

«     Advies: compensatieparing (paren met een dier dat deze eigenschap niet bezit)

 

Weinig of geen tussenkleur

«     Oorzaak: genetisch, leeftijd

«     Gevolg: wat fletse bruingrijze kleur aan dek

«     Advies: uitsluiten voor de fok

 

Smalle, brede of niet scherp belijnde tussenkleur

«     Oorzaak: genetisch

«     Gevolg smalle tussenkleur: dek wat donker

«     Gevolg brede tussenkleur: weinig onderkleur

«     Gevolg niet scherp belijnde tussenkleur: vertroebeling

«     Advies: uitsluiten voor de fok

Te rode / roestbruine tussenkleur

«     Oorzaak: genetisch

«     Gevolg: dekkleur wordt te rood

«     Advies: compensatieparing

 

Lichte grondkleur aan dek

«     Pigmentvorming is minimaal

«     Oorzaak: genetisch

«     Gevolg: vermindering van kleurintensiteit

«     Advies: compensatieparing / uitsluiten (dus indien mogelijk niet gebruiken voor de fok of paren aan een dier met een uitstekende grondkleur)

 

Oorranden anders dan zwart omzoomd

«     Oorzaak: genetisch

«     Advies: compensatieparing

 

Staartkleur niet donkergrijs

«     Oorzaak: genetisch

«     Advies: compensatieparing

 

Lichte oogkleur

«     Oorzaak: genetisch

«     Gevolg: pigmentverlies

«     Advies: uitsluiten voor de fok

 

Onheldere buikkleur

«     Oorzaak: genetisch, leeftijd of door aanslag

«     Advies: indien genetisch, niet mee fokken

 

Lichte grondkleur aan buik

«     Oorzaak: genetisch

«     Gevolg: pigmentverlies

«     Advies: uitsluiten voor de fok wanneer het jonge dieren betreft. Oudere dieren hebben vaak een iets lichtere grondkleur aan de buik door pigmentverlies.

 

Hierna werd ingegaan op specifieke fouten die bij de afzonderlijke grijze kleurslagen voorkomen.

 

Konijngrijs

«     Hard van kleur aan dek

«     Zwakke tussenkleur

«     Smalle tussenkleur, verwatering. Dit wordt veroorzaakt door kruisingen tussen ijzergrauw en konijngrijs.

 

Bruingrijs

«     Grondkleur aan buik sepiakleurig

 

Blauwgrijs

«     Lichte grondkleur aan buik/dek

«     Zwakke tussenkleur dek

«     Blauwe dekkleur

 

Gouwenaargrijs

«     Grondkleur op dek en buik erg zwak

«     Dekkleur, onvoldoende ticking (te blauw)

«     Niet heldere buikkleur

«     Door kruisingen tussen gouwenaargrijs en bruingrijs kunnen de oogkleur en de grondkleur aan buik verbeterd worden.

 

Jan Derksen sloot af met de opmerking dat de Hollander niet alleen op tekening beoordeeld moet worden, maar dat ook de andere onderdelen goed benoemd moeten worden. Dat de beoordelingskaart hierdoor erg vol wordt doet niet ter zake. De fokker heeft recht op een volledige beoordeling van het konijn.

 

Vragen

Na het betoog van Jan Derksen waren er natuurlijk vragen en hoewel het niet de bedoeling was om op de aftekening in te gaan, werden hierover enkele vragen gesteld en werden afspraken onder de keurmeesters gemaakt. De belangrijkste afspraak die gemaakt is volgt hieronder: Pigmentvlekjes in de neusgaten, indien aan de binnenzijde en van buitenaf niet zichtbaar is een lichte fout. Pigmentvlekjes in de neusgaten en daarbuiten zichtbaar is een zware fout. Uit de zaal werd naar voren gebracht dat deze afspraak in het verleden ook al is gemaakt.

 

Terug