DE
HOLLANDER, ONS NATIONALE KONIJNENRAS
Overgenomen uit
Nieuwsbrief Hollanderclub nr. 28, mei 2004.
Dit artikel is een bewerking door auteur Jan Zijlstra van een eerder
gepubliceerd artikel in
Fokkersbelangen, 54e jaargang nummer 2; februari 2004.
De aanhef van dit artikel is helaas niet helemaal juist. De
oorsprong van onze
Historie
In
het midden van de 17e eeuw kwamen reeds
De

Bandbelijning
zoals die bij
1. ideale bandbelijning
2.
gekartelde bandbelijning
3.
haak in bandbelijning
4.
scheve bandbelijning,
die bovendien ook de afwijkingen
zoals in 2, 3 en 5 aangegeven kan hebben
5.
golvende bandbelijning
De verschijningsvorm varieert van land tot land enigszins.
De Engelse is de kleinste, met een open schone nek en de bles loopt tussen de
oren door. De overige Europese landen fokken een gesloten nek. De Duitse
kleuren is van land tot land verschillend.
In ons land is hij ongetwijfeld het meest kleurrijk, 21 kleurvariëteiten, maar
daarover straks meer.

1.
perfect gesloten nek
2.
open nek (lichte fout)
3.
open nek met gekleurd
vlekje (lichte fout)
4.
fraai gesloten nek met
wit vlekje (lichte fout).
Een zwart vlekje buiten de nekbelijning is een zware
fout.
De
2,5 kg. De puntenschaal
ruimde toen maar liefst 60 punten,
van de 100, in voor de tekening; verder 25
punten voor de koptekening en 25 voor de band en er bleven nog 10 punten over
voor de manchetten. In de standaard van de
Deze door de
Huidige
stand van zaken
De
exemplaren voor. Dat was vroeger
geheel anders, toen was de vererving van de tekening verre van stabiel. Iets
dergelijks zien we nu nog bij de fokkers van
Wat type en bouw betreffen verlangen we een geblokt dier, d.w.z. een breed en geblokt dier met een volle kop zowel bij de rammen als bij de voedsters. Bij de laatste is deze uiteraard fijner en een beetje smaller dan bij de rammen. De achterhand dient fraai afgerond te zijn en in verhouding tot het lichaam breed. Dit geldt ook voor de schouders. De kop wordt gesierd met stevige, niet gevouwen, oren van ± 9 cm lang. Nervositeit op de keurtafel maakt wel eens dat de oren gevouwen worden. Een goede keurmeester doorziet dat.
Het fokken
Het
is moeilijk aan te geven hoe te fokken. Bij de
sporadisch inbreng van fokdieren, voedsters zowel
als rammen, van collega fokkers. Ik paar bijna altijd dieren van tenminste zeer goede bouw en type en rondom zo goed mogelijk
getekende dieren met elkaar. Mijn stamboekhouding wordt geregeld geraadpleegd.
De vererving van de bouw is mijn inziens vrij sterk erfelijk bepaald, dit in
tegenstelling tot die van de tekening. Steeds zo goed mogelijke dieren
gebruiken op alle onderdelen geeft door de jaren heen de beste resultaten.
Niettemin kunnen de verrassingen in bepaalde nesten nog bijzonder groot zijn!
Een vooraanstaande fokker in de twintiger jaren van de
vorige eeuw, de heer W. Boersma uit Loënga (Friesland), had de volgende stelregel en oogstte
daarmee veel succes. We laten de heer Boersma zelf
aan het woord (zie foto met onderschrift).
De
heer Boersma fokte toen al diverse kleuren zoals de
foto laat zien, konijngrijs, blauw, zwart, ijzergrauw en isabella.

Vijf dieren uit de jaren
'20 van fokker Boersma. Om dit te bereiken citeren
wij:
Van meet af aan is het mijn stelregel geweest, om enkel die dieren voor den fok
te gebruiken, die minstens in één opzicht uitmunten of die over het geheel goed
waren getekend. Elk dier, hetwelk een fout had,
waardoor het niet voor een bekroning in aanmerking kon komen, werd
onverbiddelijk voor de fokkerij uitgesloten. Wanneer men met succes
1.
Geen twee dieren paren die dezelfde fout in tekening en bouw
vertonen.
2.
Alleen jongen, die aan bepaalde eisen voldoen, die men ze
voor zich zelf wenst, zwaar of licht kan stellen, aanhouden.
Slecht getekende dieren hebben heel weinig waarde, maken dat uw hokken spoedig overvuld beginnen te geraken en benemen u ten slotte de
lust en de liefhebberij.
3.
Geen fok-voedster, waarvan ge veel had verwacht, maar die u reeds met de eerste worp
teleurstelt, weg doen voor ge haar ook met andere rammen hebt gepaard.
4.
Die dieren, welke werkelijk goede fokdieren bleken te zijn,
zo lang mogelijk voor de fok aanhouden.
5.
Niet te veel en te vaak nieuwe dieren invoeren, als zijn het
eerste prijswinners. Bedenk, dat een dier wat u zelf fokt, al is het iets
minder, meer waarde voor uw doel heeft, omdat u weet wat er in zit.
De kleuren bij de
Het kleurenpallet door de jaren heen op de
Noordshow en de BTT, uitgedrukt in % van het aantal
ingezonden dieren.
|
Jaren |
25
eerste Bonds tent. |
1985 |
1990 |
1995 |
2000 |
2003 |
|
|
Aantal ingezonden dieren |
2626 |
405 |
520 |
483 |
449 |
344 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Haaskleur |
0.6 |
- |
0.4 |
1.4 |
- |
- |
|
|
Konijngrijs |
12.5 |
4.7 |
4.8 |
6.6 |
4.7 |
1.7 |
|
|
Bruingrijs |
2.7 |
2.2 |
0.6 |
2.7 |
5.8 |
7.8 |
|
|
Blauwgrijs |
5.4 |
0.2 |
0.4 |
1.4 |
1.6 |
0.3 |
* |
|
Gouwenaargrijs |
- |
- |
- |
2.3 |
0.4 |
2.9 |
|
|
IJzergrauw |
6.4 |
1.2 |
3.5 |
3.1 |
4.0 |
2.0 |
|
|
Bruingrauw |
- |
0.2 |
1.5 |
1.0 |
0.4 |
0.3 |
* |
|
Blauwgrauw |
- |
0.5 |
- |
0.2 |
0.4 |
0.3 |
* |
|
Zwart |
20.8 |
47.4 |
52.9 |
43.3 |
46.1 |
53.2 |
|
|
Blauw |
14.3 |
8.9 |
5.4 |
7.0 |
5.8 |
7.0 |
|
|
Bruin |
7.8 |
5.7 |
8.7 |
8.3 |
5.6 |
5.2 |
|
|
Gouwenaar |
2.0 |
0.7 |
2.7 |
3.3 |
2.9 |
0.6 |
* |
|
Madagascar |
11.4 |
11.9 |
6.9 |
7.9 |
7.1 |
6.1 |
|
|
Isabella |
6.7 |
6.2 |
3.7 |
1.2 |
0.7 |
3.2 |
|
|
Oranje |
\ 3.0 |
4.9 |
2.4 |
2.3 |
0.4 |
0.6 |
* |
|
Geel |
/ |
- |
- |
2.5 |
1.1 |
- |
|
|
Beige |
- |
2.0 |
1.3 |
1.0 |
1.1 |
0.3 |
* |
|
Driekleur zwart |
\ |
\ |
\ |
3.3 |
8.0 |
2.3 |
|
|
Driekleur blauw |
} 6.2 |
} 3.2 |
} 4.4 |
0.4 |
2.0 |
2.6 |
|
|
Driekleur bruin |
/ |
/ |
/ |
0.4 |
0.2 |
0.6 |
* |
|
Chinchilla |
- |
- |
- |
0.4 |
1.6 |
2.9 |
|
Anno
2004 zijn 21 kleuren bij de
In 2003 zonden 73
Op de Noordshow zonden 20 fokkers meer dan één kleur in, op
de BTT 18.
Een veel gehoorde kreet bij de keurmeesters en fokkers is
fok de kleuren zuiver! Wanneer men daarmee bedoelt om dezelfde gekleurde dieren
met elkaar te paren dan is dit juist. Dat wil dus zeggen dat men fenotypisch dezelfde gekleurde dieren paart. Genetisch zijn ze veelal niet
fokzuiver en dat is niet erg. Vaak komen er uit twee zwarte blauwe, bruine en
madagascar te voorschijn. Bij alle andere kleuren ziet men ook diversiteit in
kleur bij de geboren jongen. Alleen beige is geheel fokzuiver voor kleur, al
zijn kleurgenen nl. recessief (bcdg).
De blauwe, bruine en de madagascar
die uit zwart vallen zijn zeer goed te gebruiken bij de fokkers van die
kleuren. Gemiddeld is onze zwarte
Zo is de driekleur gekruist met oranje om de oranje kleur bij de driekleur te
verbeteren en met succes!! Omgekeerd is door de
lichtgekleurde (dieren met de minste Japannertekening) terug te paren aan de
oranje, het type van de oranje verbeterd. Dit soort
kruisingen is met meerdere voorbeelden te staven.
|
Kleurentabel van een kruising van een
volledige fokonzuivere konijngrijze (BbCcDdGg x BbCcDdGg) |
||
|
Symbool |
Kleur |
aantal |
|
BCDG |
konijngrijs |
81 |
|
BCDg |
zwart |
27 |
|
BCdg |
blauw |
9 |
|
BcDg |
bruin |
9 |
|
BCDG |
gouwenaar |
3 |
|
bCDG |
madagascargrijs |
27 |
|
bCdG |
isabellagrijs |
9 |
|
bcDG |
oranjegrijs
(geel) |
9 |
|
bcdG |
beigegrijs (luchs) |
3 |
|
bCDg |
madagascar |
9 |
|
bCdg |
isabella |
3 |
|
bcDg |
oranje |
3 |
|
bcdg |
beige |
1 |
|
BCdG |
blauwgrijs |
27 |
|
BcDG |
bruingrijs |
27 |
|
BcdG |
gouwenaargrijs |
9 |
|
|
|
256 |
Enige theorie over de
kleurvererving
Kruisen we nl. fokzuiver
konijngrijze (BCDG) met een beige (bcdg), dan
ontstaat daaruit een fokonzuivere konijngrijze (BbCcDdGg). Paren we deze fokonzuivere konijngrijze
dieren aan elkaar, dan ontstaan er 24 ofwel
16 geslachtscelcombinaties, hetgeen resulteert in 16 x
16 = 256 erfelijke verschijningsvormen (gentoype).
Zichtbaar kunnen daarbij worden (fenotypisch
verschijningsvorm) 16 kleuren, zoals in onderstaande tabel staan vermeld. Van
deze 256 erfelijke combinatiemogelijkheden zijn er 16 fokzuiver van kleur, bij
elke kleur slechts één.
Aan de buitenkant is dit echter niet te zien, behoudens de beige (bcdg), deze is recessief voor alle kenmerken. Bij de 81 konijngrijze is er maar één fokzuiver. De rest heeft zoals in de volksmond wordt genoemd bij de rammen ‘toverballen’ en bij de voedsters ‘tovereicellen’. Het fokken van diverse kleuren is zeer boeiend en het kruizen van kleuren des te meer. Het wordt nog ingewikkelder wanneer men de grauwfactor, de Japannerfactor of de chinchillafactor toevoegt. Met deze verervingsfactoren wordt dan het geheel nog complexer.