DE HOLLANDER, ONS NATIONALE KONIJNENRAS

 

Overgenomen uit Nieuwsbrief Hollanderclub nr. 28, mei 2004.
Dit artikel is een bewerking door auteur Jan Zijlstra van een eerder gepubliceerd artikel in
Fokkersbelangen, 54e jaargang nummer 2;  februari 2004.

 

De aanhef van dit artikel is helaas niet helemaal juist. De oorsprong van onze Hollander ligt inderdaad in Nederland en de Zuidelijke Nederlanden. In ons land kwamen reeds lang niet al te grote konijnen voor met Hollanderachtige tekening. Deze dieren werden in het midden van de negentiende eeuw op grote schaal als slachtkonijn naar Engeland uitgevoerd. Engeland was in die tijd (na Napoleon 1813) een grote importeur van slachtvee en zuivelproducten uit Nederland en elders uit de wereld. Ze voerden van vele landen voedsel in om de eigen bevolking te voeden; toename welvaart als gevolg van de tweede industriële revolutie. (De eigen landbouw verwaarloosden ze in die tijd met de import van relatief goedkoop voedsel, maar dit terzijde). Engelsen zouden geen Engelsen zijn, fokkers van nature, om uit dit Hollanderachtige slachtkonijn een showdier te fokken.

 

Historie

In het midden van de 17e eeuw kwamen reeds Hollanderachtig getekende dieren voor en werden door de Italiaanse onderzoeker Aldrovendi beschreven. Hollandertekening of liever gezegd lakenveldertekening komt ook bij andere zoogdieren voor. Bij ons rund bestaat een oud Hollands ras de Lakenvelder, deze komt zowel in rood, zwart en sporadisch in vaal geel-wit voor. Nu valt dit rund onder de zeldzame huisdieren. Engeland heeft de belted Galloway, een melk-vlees ras dat tevens erfelijk hoornloos is, in Wales heeft men de belted Welsh Black. Bij geiten komt de lakenveldertekening voor, zelfs varkens zijn er mee behept. Engelse varkensrassen met lakenveldertekening zijn o.a. de Essex en de Wessex Saddleback (=zadel), in Duitsland o.a. het Brunswijkse Hannovraanse landvarken en het Angeler Sattelvarken. Onze lakenvelder kippen zou men ook in dit rijtje kunnen plaatsen.

 

De Hollandertekening (lakenveldertekening) is van zeer oude datum zoals reeds gezegd, in de 16e en 1 7e eeuw kwamen ze reeds voor. De Papillontekening is van iets jongere datum. De Hollandertekening (s=genetisch symbool) is recessief t.o.v. niet Hollandertekening, terwijl de Papillontekening (En) dominant is t.o.v. de niet Papillontekening. De Hollandertekening berust op veel s-factoren, sommige s-factoren geven soms bijna witte dieren bijv. de Witte van Hotôt. Kruising van zeer onverwante dieren bij de Hollanders (bijv. Duitse met Nederlandse dieren) kan soms bijna witte dieren brengen met sporadisch pigmentvlekken. Illustratief voor dit fenomeen is het verervingsbeeld zoals Nachtsheim in zijn boek van 'Wild dier tot huisdier' (1949) weergeeft. De Nederlandse slachtkonijnen die naar Engeland werden uitgevoerd hadden vermoedelijk ongeveer het tekeningbeeld van 1 t/m 5. In het midden van de 19e eeuw, toen de Hollander als raskonijn gecreëerd werd, fokte men eerst de Hollander zoals wij die nu kennen, in Engeland de 'old style' genoemd. Men heeft ook een poosje de 'new style' gepromoot, een dier dat donkerder was met alleen een witte halskraag en bles met kopplaten, met zowel aan de voor- en achterpoten manchetten (4 en 5). Deze 'new style' is geheel verdwenen en de 'old style' veroverde de wereld aan het einde van de 19e eeuw. In alle Europese landen komt hij voor en ook in Amerika (VS) en Canada die de Engelse standaard volgen.

 

 

 

 

 

Bandbelijning zoals die bij Hollanders voorkomen

      1.      ideale bandbelijning

      2.      gekartelde bandbelijning

      3.      haak in bandbelijning

      4.      scheve bandbelijning, die bovendien ook de afwijkingen
      zoals in 2, 3 en 5  aangegeven kan hebben

      5.      golvende bandbelijning

 

 

 

 

 

 

 

De verschijningsvorm varieert van land tot land enigszins. De Engelse is de kleinste, met een open schone nek en de bles loopt tussen de oren door. De overige Europese landen fokken een gesloten nek. De Duitse Hollander is iets forser en langer dan de onze terwijl de Zwitserse gefokt wordt op een fraaie stelling, al of niet aangeleerd. Voor 1970 werd er nog wel fokmateriaal met Engeland uitgewisseld, maar thans bijna niet meer. Engeland is geen lid van de Entente en dat remt de contacten ook (Europa is groter dan het Ententegebied dat helaas sterk door Duitsland wordt beheerst). Met Duitsland wordt over en weer fokmateriaal uitgewisseld. Ook door andere Europese landen wordt in Nederland gekocht. De variatie in de

kleuren is van land tot land verschillend. In ons land is hij ongetwijfeld het meest kleurrijk, 21 kleurvariëteiten, maar daarover straks meer.

 

 

      

       1.      perfect gesloten nek

       2.      open nek (lichte fout)

       3.      open nek met gekleurd vlekje (lichte fout)

       4.      fraai gesloten nek met wit vlekje (lichte fout).
      Een zwart vlekje buiten de nekbelijning is een zware fout.

 

 

 

 

De Hollander werd aan het eind van de 19e  eeuw reeds in ons land geëxposeerd. In de eerste standaard van de NKB in 1907 werd hij beschreven. Hij had toen een maximum gewicht van

2,5 kg. De puntenschaal ruimde toen maar liefst 60 punten,

van de 100, in voor de tekening; verder 25 punten voor de koptekening en 25 voor de band en er bleven nog 10 punten over voor de manchetten. In de standaard van de Hollanderclub in 1923 was dit nog zo.

Deze door de Hollanderclub opgestelde standaard werd later door de NKB gesanctioneerd. (Deze wisselwerking zou anno 2004 weer ingevoerd kunnen worden; de speciaalclub ontwerpt de standaard beschrijving, de standaardcommissie, van de NKB, sanctioneert hem in overleg met de club. De fokkers worden er op deze manier sterker bij betrokken. Het ivoren torengevoel wordt daardoor verbroken).

 

 

Huidige stand van zaken

De Hollanderclub stelt nu dat de Hollander in de eerste plaats een type dier is, dan volgt de tekening en wordt besloten met de kleur. Dit onder het motto 'eerst bouwen, dan tekenen en tot slot schilderen'. Deze zienswijze sluit aan bij de huidige standaard van de NKB. Voor type en bouw (20), gewicht (10) pels en pelsconditie (20) en lichaamsverzorging (5) worden in totaal 55 punten uitgetrokken; voor de tekening; kop (15) - en lichaamstekening (15) in totaal 30 punten. De kleur krijgt 15 punten. We zien dus dat in de loop der jaren het accent verschoven is van tekening naar bouw en type. Dit kan omdat de huidige Hollander zijn tekeningbeeld vrij constant vererft. Wat nu zal menig Hollanderfokker zeggen, het is nog een helse toer om een fraai getekend dier te hebben. Dat is juist. Doch in de doorsnee gefokte nesten Hollanders komen gemiddeld toch bijna altijd wel enige vrij goed getekende

exemplaren voor. Dat was vroeger geheel anders, toen was de vererving van de tekening verre van stabiel. Iets dergelijks zien we nu nog bij de fokkers van Hollanderdwergen, daar gaat het met de tekening nog alle kanten op! Bij onze Hollanders zien we dat ook nog wel wanneer er kruisingen toegepast worden met onverwante Duitse dieren. De huidige Nederlandse Hollander heeft mijn inziens een hoge verwantschapsgraad, d.w.z. dat ze nauw familie van elkaar zijn. Dit heeft de uniformiteit in de tekeningvererving danig vergroot. Met dit verhaal moet niet de conclusie worden getrokken dat het anno 2004 een fluitje van een cent is om rondom beste dieren te fokken. Aan elk onderdeel van de tekening kan wel een mankementje zitten. Een manchet iets scheef, andere met een klein uitlopertje. Band aan buik met klein haakje. Bles iets scheef en nek niet geheel gesloten, terwijl één kopplaat een traantje heeft. Een dergelijk dier is een knap getekende Hollander met schoonheidsfoutjes en dat doet wel afbreuk aan het geheel en is daardoor nog lang geen topper in ons huidige bestel, maar wel verdienstelijk getekend t.o.v. het prille begin van de Hollanderfokkerij.

Wat type en bouw betreffen verlangen we een geblokt dier, d.w.z. een breed en geblokt dier met een volle kop zowel bij de rammen als bij de voedsters. Bij de laatste is deze uiteraard fijner en een beetje smaller dan bij de rammen. De achterhand dient fraai afgerond te zijn en in verhouding tot het lichaam breed. Dit geldt ook voor de schouders. De kop wordt gesierd met stevige, niet gevouwen, oren van ± 9 cm lang. Nervositeit op de keurtafel maakt wel eens dat de oren gevouwen worden. Een goede keurmeester doorziet dat.

 

Het fokken

Het is moeilijk aan te geven hoe te fokken. Bij de Hollanderfokkerij is familieteelt regel. Binnen de Hollanderclub vindt veel uitwisseling van fokmateriaal plaats. Je kunt wel zeggen dat onze Hollanders één grote familie zijn. Hoewel dat theoretisch gezien ook nog wel meevalt. De generatiewisseling is groot. Mijn eerste bruine Hollanders kwamen uit de stal van Wassink te Hengelo (O), ruim vijftig jaargeleden. In de loop van deze vijftig jaar zijn hier andere stammen ingekruist. Nemen we aan dat de generatiewisseling ongeveer l,5 jaar is dan zijn dat in de loop van 50 jaar ± 30 generaties geweest. Zou er geen inteelt hebben plaats gevonden dan hebben mijn huidige bruine Hollanders 2³° (2 tot de macht 30) bekende voorouders, dit zijn er in totaal 1.073.741.824 of wel ruim 1 miljard stuks. Bij sterke inteelt neemt dit aantal drastisch af. De invloed van mijn oorspronkelijke Wassink diertjes van weleer is ook bij sterke inteelt bijzonder klein. Persoonlijk pas ik sterke inteelt toe met

 

 

sporadisch inbreng van fokdieren, voedsters zowel als rammen, van collega fokkers. Ik paar bijna altijd dieren van tenminste zeer goede bouw en type en rondom zo goed mogelijk getekende dieren met elkaar. Mijn stamboekhouding wordt geregeld geraadpleegd. De vererving van de bouw is mijn inziens vrij sterk erfelijk bepaald, dit in tegenstelling tot die van de tekening. Steeds zo goed mogelijke dieren gebruiken op alle onderdelen geeft door de jaren heen de beste resultaten. Niettemin kunnen de verrassingen in bepaalde nesten nog bijzonder groot zijn! Een vooraanstaande fokker in de twintiger jaren van de vorige eeuw, de heer W. Boersma uit Loënga (Friesland), had de volgende stelregel en oogstte daarmee veel succes. We laten de heer Boersma zelf aan het woord (zie foto met onderschrift).

De heer Boersma fokte toen al diverse kleuren zoals de foto laat zien, konijngrijs, blauw, zwart, ijzergrauw en isabella.

 

 

Vijf dieren uit de jaren '20 van fokker Boersma. Om dit te bereiken citeren wij:
Van meet af aan is het mijn stelregel geweest, om enkel die dieren voor den fok te gebruiken, die minstens in één opzicht uitmunten of die over het geheel goed waren getekend. Elk dier, hetwelk een fout had, waardoor het niet voor een bekroning in aanmerking kon komen, werd onverbiddelijk voor de fokkerij uitgesloten. Wanneer men met succes
Hollanders wil fokken moet men zich m.i. aan de volgende regels gewennen:

1.      Geen twee dieren paren die dezelfde fout in tekening en bouw vertonen.

2.      Alleen jongen, die aan bepaalde eisen voldoen, die men ze voor zich zelf wenst, zwaar of licht kan stellen, aanhouden.
Slecht getekende dieren hebben heel weinig waarde, maken dat uw hokken spoedig overvuld beginnen te geraken en benemen u ten slotte de lust en de liefhebberij.

3.      Geen fok-voedster, waarvan ge veel had verwacht, maar die u reeds met de eerste worp teleurstelt, weg doen voor ge haar ook met andere rammen hebt gepaard.

4.      Die dieren, welke werkelijk goede fokdieren bleken te zijn, zo lang mogelijk voor de fok aanhouden.

5.      Niet te veel en te vaak nieuwe dieren invoeren, als zijn het eerste prijswinners. Bedenk, dat een dier wat u zelf fokt, al is het iets minder, meer waarde voor uw doel heeft, omdat u weet wat er in zit.

 


De kleuren bij de Hollander

Het kleurenpallet door de jaren heen op de Noordshow en de BTT, uitgedrukt in % van het aantal ingezonden dieren.                       

 

Jaren

25 eerste

Bonds tent.

 

1985

 

1990

 

1995

 

2000

 

2003

 

Aantal ingezonden dieren

2626

405

520

483

449

344

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Haaskleur

  0.6

-

0.4

1.4

-

-

 

Konijngrijs

12.5

4.7

4.8

6.6

4.7

1.7

 

Bruingrijs

2.7

2.2

0.6

2.7

5.8

7.8

 

Blauwgrijs

5.4

0.2

0.4

1.4

1.6

0.3

*

Gouwenaargrijs

-

-

-

2.3

0.4

2.9

 

IJzergrauw

6.4

1.2

3.5

3.1

4.0

2.0

 

Bruingrauw

-

0.2

1.5

1.0

0.4

0.3

*

Blauwgrauw

-

0.5

-

0.2

0.4

0.3

*

Zwart

   20.8

   47.4

   52.9

   43.3

   46.1

 53.2

 

Blauw

14.3

8.9

5.4

7.0

5.8

7.0

 

Bruin

7.8

5.7

8.7

8.3

5.6

5.2

 

Gouwenaar

2.0

0.7

2.7

3.3

2.9

0.6

*

Madagascar

   11.4

   11.9

6.9

7.9

7.1

6.1

 

Isabella

6.7

6.2

3.7

1.2

0.7

3.2

 

Oranje

\    3.0

4.9

2.4

2.3

0.4

0.6

*

Geel

/

-

-

2.5

1.1

-

 

Beige

-

2.0

1.3

1.0

1.1

0.3

*

Driekleur zwart

\

\

\

3.3

8.0

2.3

 

Driekleur blauw

 }  6.2 

 }  3.2 

 }  4.4 

0.4

2.0

2.6

 

Driekleur bruin

/

/

/

0.4

0.2

0.6

*

Chinchilla

-

-

-

0.4

1.6

2.9

 

 

Anno 2004 zijn 21 kleuren bij de Hollander erkend. In de bovenstaande tabel geven we weer welke kleuren op onze clubshows BTT en Noordshow 2003 werden ingezonden en door hoeveel fokkers. Dieren met * aangeduide kleuren bevinden zich in de gevarenzone. Zij scoren minder dan 1%. De zwarte zijn dominant, hun aantal schommelt door de jaren heen rond de vijftig procent van het totaal. De kleuren geel en haaskleur waren niet vertegenwoordigd. Geel wordt nog wel gefokt. De haaskleur is geheel verdwenen. Peter de Wit uit Den Helder en Henk Lok uit Sint-Jansklooster trachten hem terug te fokken, mogelijk ook door nog enkele andere fokkers.

 

In 2003 zonden 73 Hollanderfokkers dieren in op de Noordshow en de BTT, waarvan 67 Hollanderclubleden, een derde van het totaal aantal leden. 8 fokkers showden op beide tentoonstellingen: G van Veen, H Lentz, J. Basoski, Th. Janssen, G.J.Groenhof, J. Pennings, C.J. van Slooten en A. Wesselink.

Op de Noordshow zonden 20 fokkers meer dan één kleur in, op de BTT 18.

Een veel gehoorde kreet bij de keurmeesters en fokkers is fok de kleuren zuiver! Wanneer men daarmee bedoelt om dezelfde gekleurde dieren met elkaar te paren dan is dit juist. Dat wil dus zeggen dat men fenotypisch dezelfde gekleurde dieren  paart. Genetisch zijn ze veelal niet fokzuiver en dat is niet erg. Vaak komen er uit twee zwarte blauwe, bruine en madagascar te voorschijn. Bij alle andere kleuren ziet men ook diversiteit in kleur bij de geboren jongen. Alleen beige is geheel fokzuiver voor kleur, al zijn kleurgenen nl. recessief (bcdg).

De blauwe, bruine en de madagascar die uit zwart vallen zijn zeer goed te gebruiken bij de fokkers van die kleuren. Gemiddeld is onze zwarte Hollander het best van type en bouw en kunnen als zodanig steun verlenen bij de kleurenfokkers. Hoewel ook bij diverse niet zwarte kleuren zeer beste type en bouw dieren voorkomen, denk aan de bruingrijze, gouwenaargrijze, de bruingrauwe, konijngrijze en ijzergrauwe, enz.. Kruizen van kleuren is op zich niet erg wil men bijv. het type van een bepaalde blauwe stam verbeteren, dan is het juist aan te bevelen.
Zo is de driekleur gekruist met oranje om de oranje kleur bij de driekleur te verbeteren en met succes!! Omgekeerd is door de lichtgekleurde (dieren met de minste Japannertekening) terug te paren aan de oranje, het type van de oranje verbeterd. Dit soort kruisingen is met meerdere voorbeelden te staven.

 

 

Kleurentabel van een kruising van een volledige fokonzuivere konijngrijze (BbCcDdGg x BbCcDdGg)

Symbool

Kleur

aantal

BCDG

konijngrijs

81

BCDg

zwart

27

BCdg

blauw

9

BcDg

bruin

9

BCDG

gouwenaar

3

bCDG

madagascargrijs

27

bCdG

isabellagrijs

9

bcDG

oranjegrijs (geel)

9

bcdG

beigegrijs (luchs)

3

bCDg

madagascar

9

bCdg

isabella

3

bcDg

oranje

3

bcdg

beige

1

BCdG

blauwgrijs

27

BcDG

bruingrijs

27

BcdG

gouwenaargrijs

9

 

 

256

Enige theorie over de kleurvererving

Kruisen we nl. fokzuiver konijngrijze (BCDG) met een beige (bcdg), dan ontstaat daaruit een fokonzuivere konijngrijze (BbCcDdGg). Paren we deze fokonzuivere konijngrijze dieren aan elkaar, dan ontstaan er 24 ofwel 16 geslachtscelcombinaties, hetgeen resulteert in 16 x 16 = 256 erfelijke verschijningsvormen (gentoype). Zichtbaar kunnen daarbij worden (fenotypisch verschijningsvorm) 16 kleuren, zoals in onderstaande tabel staan vermeld. Van deze 256 erfelijke combinatiemogelijkheden zijn er 16 fokzuiver van kleur, bij elke kleur slechts één.

Aan de buitenkant is dit echter niet te zien, behoudens de beige (bcdg), deze is recessief voor alle kenmerken. Bij de 81 konijngrijze is er maar één fokzuiver. De rest heeft zoals in de volksmond wordt genoemd bij de rammen ‘toverballen’ en bij de voedsters ‘tovereicellen’. Het fokken van diverse kleuren is zeer boeiend en het kruizen van kleuren des te meer. Het wordt nog ingewikkelder wanneer men de grauwfactor, de Japannerfactor of de chinchillafactor toevoegt. Met deze verervingsfactoren wordt dan het geheel nog complexer.

 

Terug