HET FOKKEN VAN HOLLANDERS EN DE ERFELIJKHEIDSLEER

 

Overgenomen uit Nieuwsbrief Hollanderclub nr. 29, december 2004.

 

 

1. Inleiding

De Hollander ontleent zijn tekening aan de zogenaamde s-factoren. Een tekeningsbeeld dat reeds in de 16e eeuw al voorkwam bij konijnen, getuige oude schilderijen uit die tijd.

 

 

 

 

 

 Boven is het schilderij afgebeeld van Joachim Beuckelaer uit 1570.
Volledige titel: The four Elements: Air. A Poultry Market with the Prodigal Son in the Background.
Midden onder liggen twee dode konijnen met de
Hollandertekening in een mand. Hiernaast een uitvergroting.

Copyright © 2004 The National Gallery, Lobdon. All rights reserved.

 

 

 

 

 

 

 

Hoe dit tekeningspatroon vererft is weinig van bekend. Of uitwendige factoren invloed hebben op het tekeningspatroon wordt af en toe gespeculeerd. De ligging van de ongeboren diertjes in de baarmoeder zou van invloed kunnen zijn. Eeneiige tweelingen bij zwartbonte en roodbonte koeien zijn namelijk niet geheel identiek (gelijk van tekening). Daar schrijft men dit toe aan de ligging in de baarmoeder.

De Hollandertekening wordt als “plaat”-tekening omschreven, dit in tegenstelling tot de “vlek”-tekening bij de Papillion, de Lotharinger en de Rijnlander. Deze tekening is van iets jongere datum dan de Hollandertekening. De Hollanderfactor  (s) is recessief (de vlektekening factoren daarentegen dominant (k)).

De Duitse onderzoeker Nachtsheim heeft de grote variatie die kan plaatsvinden in het Hollander tekeningsbeeld omschreven. Bijgaande tekening geeft dit weer.

 

 

 

Van bijna geheel gekleurde tot bijna wit. De huidige Witte van Hotôt is het uiterste, daar rest bij een bijna geheel wit dier slechts een smalle gekleurde ring rond de ogen.

 

 

 

 

 

Afbeelding hiernaast:
Witte van Hotôt, overgekomen van de website van Jan & Miranda Ham.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kruist men vrijwel onverwante Hollanders met elkaar, bijvoorbeeld een Duitse onverwante stam met onze Nederlandse Hollanders (die bijna allemaal familie van elkaar zijn in meer of mindere mate), dan kan het voorkomen dat er gevlekte dieren in de nesten liggen, veel wit en weinig kleur (zie onderstaande foto’s van Hans Puttenstein). Deze dieren zag men jaren geleden nog veelvuldig bij onze fokkers in de nesten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2. Hoe fokt men fraai getekende Hollanders

De enige remedie is mijns inziens steeds te fokken met zo goed mogelijk getekende dieren. Daarbij vermijden te fokken met dieren die dezelfde fouten of foutjes hebben in het tekeningsbeeld, bijvoorbeeld geen dieren paren die beide zeer korte manchetten hebben of beide zeer lange. Dit is uit te breiden met korte kopplaten met korte kopplaten, scheve banden met scheve banden, open nekken met open nekken. Deze voorbeelden zijn met vele uit te breiden.

Compensatie paringen toepassen bijvoorbeeld een dier met wat te diepe kopplaten paren met één met wat korte kopplaten, of lange manchetten met korte manchetten waag ik te betwijfelen. In de aanhef heb ik gesteld om bij de fokparen er vanuit te gaan om met allround zo goed mogelijk getekende dieren te fokken en dit konsekwent  toepassen. Een vrij constant verervingspatroon is te bevorderen door familieteelt toe te passen, dit is het fokken met vrij sterk verwante dieren. Bovenstaande gedragsregels zijn daarbij ook weer van toepassing!

Met inteelt kan men vrij ver gaan, maar daar is natuurlijk wel een gedragsregel bij, de dieren moeten gezond en vitaal zijn en geen lichamelijke gebreken vertonen. Om de verwantschap van de dieren na te gaan is het raadzaam om de afstamming van de dieren te registreren. Dit is eenvoudig te doen door de tatoeëerbewijzen zorgvuldig in te vullen en te bewaren. Dit kan aangevuld worden met de behaalde predikaten en de beoordelingsbewijzen die de dieren op de tentoonstellingen hebben behaald.

Dit alles bewaren in een kaartenbak en het af en toe raadplegen is daarbij een vereiste, want alleen bewaren helpt natuurlijk niet. Sommige fokkers “beweren” dat ze alles wel kunnen onthouden maar dat lijkt me sterk met de snelle generatiewisseling bij onze konijnen. Je praat al snel over grootmoeders, overgrootmoeders en betovergrootmoeders c.q. –vaders binnen een paar jaar.

Het vele uitwisselen van fokmateriaal tussen de Hollanderfokkers onderling maakt ook dat onze Nederlandse Hollanders redelijk verwant zijn aan elkaar; zij het natuurlijk minder dan binnen de eigen stammen in je eigen stal!

De eisen die gesteld worden aan de fokrammen dienen hoger te zijn dan aan de fokvoedsters! De erfelijke invloed van de voedster en de ram zijn in de fokkerij weliswaar gelijk, maar de ram dekt veelal meerdere voedsters en is daardoor “invloedrijker” dan de voedster. Het is raadzaam om met meerdere rammen te fokken. Is toevallig die ene ram die u gebruikt een minder goed fokdier, dan grijpt u in een bepaald jaar naast de prijzen! Heeft u een zeer best fokkende ram op alle onderdelen (tekening, bouw, type en kleur), teel dan op een dergelijke ram in! U legt dan de eigenschappen in hoge mate vast. Wees zuinig op dergelijke rammen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor excellente fokvoedsters!

“Bloedverversing” d.w.z. andere erffactoren in uw stam brengen kan via voedsters zowel als rammen. Via voedsters is de voorzichtige weg. Doet u het met een ram, dan eerst paren aan enkele voedsters om te kijken wat hij kan!

 

 

3. Het fokken op bouw en type

Wat in het bovenstaande is gesteld ten aanzien van het fokken geldt ook voor het fokken op bouw en type.

Over de vererving van de bouw is bij de konijnen weinig bekend. Ook hier geldt fokken met de beste dieren op deze onderdelen.

Uit de fokkerij bij andere diersoorten is bekend dat de uitwendige kenmerken van de bouwonderdelen vrij sterk erfelijk bepaald zijn: beenstand, oorlengte, brede voor- en achterhand, afgeronde achterhand, enz.

De factoren die deze onderdelen bepalen hebben een vrij hoge erfelijkheidsgraad, d.w.z. dat ze vrij sterk erfelijk bepaald zijn en weinig door uitwendige omstandigheden worden beïnvloed, bijvoorbeeld voeding, huisvesting, temperatuur, etc. Deze bouweigenschappen berusten veelal op meer dan één erffactor, veelal een aantal. In een dergelijke situatie lijkt de vererving intermediair te zijn, d.w.z. dat het resultaat van de vererving het midden houdt tussen die van de ram en de voedster. Bijvoorbeeld de ram heeft een oorlengte van 10 cm, de voedster 8 cm, de jongen hebben gemiddeld 9 cm.

Reeds heb ik het begrip erfelijkheidsgraad genoemd, dit is een getal variërend van 0 tot 1. Een erfelijkheidsgraad van 1 houdt in dat het hetgeen wat men ziet volledig erfelijk bepaald is en niet door uitwendige factoren wordt beïnvloed. Dit is bij de kleur het geval!

De vererving van de bouweigenschappen varieert van 0.5 tot 0.8 en is dus vrij sterk erfelijk bepaald. In onze fokkerij is het dus van belang dat men met zo best mogelijk gebouwde dieren fokt en dit leidt tot goede resultaten.

 

Type is de som van de raskenmerken en de bouw. Ook hier geldt hetgeen in het bovenstaande is gesteld, het is wat moeilijker te fokken omdat het van meerder bouwonderdelen afhangt. Een fraai gebouwd dier met extreem lange oren is geen fraai type Hollander.

Moedereigenschappen zoals melkproductie, goede verzorging van de jongen, enz. worden vrij sterk door uitwendige omstandigheden beïnvloed. De omvang van de melkproductie tijdens de zoogperiode en de samenstelling van de melk zijn voor honderd procent erfelijk bepaald, maar de voeding en de verzorging hebben hier een grote invloed op, evenals het klimaat.

Bij rundvee is de erfelijkheidsgraad voor melkproductie ± 0.3 en voor de samenstelling van de melk ongeveer 0.6. Dit laatste is dus al weer wat minder te beïnvloeden door de voeding, maar de melkproductie in hoge mate. Deze productie eigenschappen zijn weer 100% erfelijk bepaald en berusten op meerdere eigenschappen, de vererving is dus weer intermediair. Bijvoorbeeld bij rundvee: aanleg stier voor vetgehaltevererving 4.00 %,
koe 5,00 %, de kinderen 4,50 %. Of het er uitkomt, is weer afhankelijk van de verzorging.

Het karakter van de dieren is eveneens erfelijk bepaald. Vroeger was de Hollander nogal eens agressief, dat zijn ze nog wel eens, maar in veel mindere mate. Selectie heeft dit euvel doen verdwijnen.

 

Hoe te fokken geldt weer hetzelfde als wat bij de tekening is gesteld, raadpleeg de afstamming en de beoordelingskaarten en ga natuurlijk op uw eigen waarneming af, kennis van het ras is daarbij noodzakelijk, doch ook zelfkennis is onontbeerlijk. De gebreken bij de dieren van collega-fokkers ziet men veelal scherper, doch men is vaak mild (bedrijfsblind) voor de eigen dieren.

Bij de fok genieten de dieren met F bouw en type de voorkeur in de paring, met variaties van ZG en F en omgekeerd.  Stel uw eisen in dit geval hoog! De Hollanderclub heeft als motto: eerst bouwen, dan tekenen en tot slot kleuren!

De standaard trekt voor type en bouw 20 punten uit, gewicht 10, pels en conditie 20 en voor verzorging en conditie 5; in totaal dus 55 punten. De tekening scoort in totaal 30 punten (15 voor de koptekening en 15 voor de lichaamstekening, band en manchetten). De kleur krijgt 15 punten.

 

 

4. De Kleurvererving

De Hollander is anno 2004 in 21 kleuren erkend. In onderstaande tabel is dit weergegeven.

 

Tabel. Het kleurenpallet door de jaren heen op de Noordshow en de BTT, uitgedrukt in % van het aantal ingezonden dieren.                       

 

Jaren

25 eerste

Bonds tent.

 

1985

 

1990

 

1995

 

2000

 

2003

 

Aantal ingezonden dieren

2626

405

520

483

449

344

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Haaskleur

  0.6

-

0.4

1.4

-

-

 

Konijngrijs

12.5

4.7

4.8

6.6

4.7

1.7

 

Bruingrijs

2.7

2.2

0.6

2.7

5.8

7.8

 

Blauwgrijs

5.4

0.2

0.4

1.4

1.6

0.3

*

Gouwenaargrijs

-

-

-

2.3

0.4

2.9

 

IJzergrauw

6.4

1.2

3.5

3.1

4.0

2.0

 

Bruingrauw

-

0.2

1.5

1.0

0.4

0.3

*

Blauwgrauw

-

0.5

-

0.2

0.4

0.3

*

Zwart

   20.8

   47.4

   52.9

   43.3

   46.1

 53.2

 

Blauw

14.3

8.9

5.4

7.0

5.8

7.0

 

Bruin

7.8

5.7

8.7

8.3

5.6

5.2

 

Gouwenaar

2.0

0.7

2.7

3.3

2.9

0.6

*

Madagascar

   11.4

   11.9

6.9

7.9

7.1

6.1

 

Isabella

6.7

6.2

3.7

1.2

0.7

3.2

 

Oranje

\    3.0

4.9

2.4

2.3

0.4

0.6

*

Geel

/

-

-

2.5

1.1

-

 

Beige

-

2.0

1.3

1.0

1.1

0.3

*

Driekleur zwart

\

\

\

3.3

8.0

2.3

 

Driekleur blauw

 }  6.2 

 }  3.2 

 }  4.4 

0.4

2.0

2.6

 

Driekleur bruin

/

/

/

0.4

0.2

0.6

*

Chinchilla

-

-

-

0.4

1.6

2.9

 

 

Anno 2004 zijn 21 kleuren bij de Hollander erkend. In de bovenstaande tabel geven we weer welke kleuren op onze clubshows BTT en Noordshow 2003 werden ingezonden. Dieren met * aangeduide kleuren bevinden zich in de gevarenzone. Zij scoren minder dan 1%. De zwarte zijn dominant, hun aantal schommelt door de jaren heen rond de vijftig procent van het totaal. De kleuren geel en haaskleur waren niet vertegenwoordigd. Geel wordt nog wel gefokt. De haaskleur is bijna geheel verdwenen. Peter de Wit uit Den Helder en Henk Lok uit Sint-Jansklooster trachten hem terug te fokken, mogelijk ook door nog enkele andere fokkers.

 

Alle eigenschappen bij onze konijnen zijn erfelijk bepaald (genotype). In het bovenstaande heb ik uiteengezet dat de uiteindelijke verschijningsvorm door de omgeving (opfok, voeding, klimaat, etc.) in meer of mindere mate beïnvloed kan worden. De som van genotype plus uitwendige omstandigheden is fenotype, de uiterlijke verschijningsvorm. Ook worden de in de vorige hoofdstukken genoemde factoren door meerdere erffactoren beïnvloed. Zijn dit veel erffactoren dan is de vererving min of meer intermediair, d.w.z het gemiddelde van de beide ouderparen. Als voorbeeld oorlengte ram 10 cm, voedster 8 cm, jongen gemiddeld 9 cm. Een fraaie ronde achterhand x een wat hoekige achterhand geeft theoretisch een achterhand die daar tussenin zit. Reeds aangegeven dat het fokken met zo best mogelijk gebouwde dieren de beste manier is!

 

Bij de kleurvererving is de vererving redelijk simpel, zij berust op relatief gezien weinig erffactoren, die onafhankelijk van elkaar vererven. De kleurvererving bij de Hollander berust slechts op 4 erffactoren. We rekenen gemakshalve de Albinofactor (AA) niet mee. Is deze namelijk dominant aanwezig, dan treedt de albinofactor niet op en hebben de dieren kleur en zijn dus niet wit. Geheel wit wordt namelijk bepaald wanneer de albinofactoren recessief zijn aa!! De albinofactor komt straks nog wel even terug wanneer we het over de Chinchillakleur hebben. Gemakshalve praten we dus over vier factoren B, C, D, G (Duitse symboliek).

 

 

5. Uitstapje om in de verervingstheorie te komen

De kleurfactoren kunnen een dominante en een recessieve component hebben, respectievelijk in hoofdletters en kleine letters weergegeven. Bij onze dieren zijn de erffactoren (bij mensen trouwens ook) paarsgewijs. Dus eigenlijk moeten we schrijven:

                               Dominant                                  Recessief

                                  BB                                            bb

                                  CC                                             cc

                                  DD                                            dd

                                  GG                                             gg

Deze kleurcomponenten liggen dus in de chromosomen paarsgewijs tegenover elkaar. In de geslachtscellen zijn deze chromosomen overlangs gesplitst                                     .

Bij de bevruchting koppelt de zaadcel zich aan de eicel en er ontstaat weer een normale kleurcel.

Bij dominant x dominant dus:                                         En bij recessie x recessief dus:

                   BB                                                                                bb

                   CC                                                                                 cc

                   DD                                                                                dd

                   GG                                                                                 gg

 

Je kunt je het genenstapeltje ook voorstellen als een stapeltje “chocoladeflikjes” in een doosje. In werkelijkheid is het veel ingewikkelder, het zijn namelijk paarsgewijze ketens van diverse eiwitpatronen (D.N.A.).

Kruis je nu een volledig dominant dier voor kleur, in dit geval de konijngrijze, met een volledig recessief dier voor kleur, in dit geval beige, dan ontstaat er een zaadcel bij de konijngrijze ram BCDG en bij de beige voedster een eicel bcdg. Bij de versmelting van deze zaad- en eicel ontstaat weer een normale kleurcel

             BCDG

              bcdg

De jonge dieren uit deze kruising zijn allen konijngrijs, doch geheel fokonzuiver voor kleur. Paart men deze fokonzuivere dieren onderling dan ontstaan er 24 = 16 geslachtscelcombinaties en 16 x 16 = 256 erfelijke verschijningsvormen (genotype) en 16 verschillende kleuren, fenotype = uiterlijke verschijningsvorm (zie tabel).

 

 

Kleurentabel van een kruising van een volledige fokonzuivere konijngrijze (BbCcDdGg x BbCcDdGg)

Symbool

Kleur

aantal

BCDG

konijngrijs

81

BCDg

zwart

27

BCdg

blauw

9

BcDg

bruin

9

Bcdg

gouwenaar

3

bCDG

madagascargrijs

27

bCdG

isabellagrijs

9

bcDG

oranjegrijs (geel)

9

bcdG

beigegrijs (luchs)

3

bCDg

madagascar

9

bCdg

isabella

3

bcDg

oranje

3

bcdg

beige

1

BCdG

blauwgrijs

27

BcDG

bruingrijs

27

BcdG

gouwenaargrijs

9

 

 

256

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In elke kleur is er maar één fokzuiver voor de kleur! Aan de buitenkant is dit echter niet te zien, behoudens de beige, deze is recessief voor alle kenmerken. Bij de 81 konijngrijze is er dus maar één fokzuiver. De rest heeft zoals in de volksmond wordt genoemd bij de rammen “toverballen” en bij de voedsters “tovereicellen”. Het fokken van diverse kleuren is zeer boeiend en het kruisen van kleuren des te meer.

Het fokken van kleuren wordt nog ingewikkelder wanneer men de grauwfactor (een modificatie van de B factor Be) toevoegt      

                                                         ABeCDG    =  ijzergrauw.

                                                          ABCDG

Bij de grauwen kennen we ook het begrip staalgrauw. Deze dieren zijn nagenoeg geheel zwart met mogelijk enkele “grijze haren” aan de flanken    

                                      ABeCDG

                                      ABeCDG

Fokt men met deze soms fraaie zwarte dieren met “gewone” zwarten, die dus geen Be hebben, dan vallen er in zulke nesten plotseling ijzergrauwen te bewonderen. De grauwfactor is ook te bewonderen bij blauw (blauwgrauw dus), bruin (bruingrauw) en gouwenaar (gouwenaargrauw). Deze kleuren komen alle drie bij de Hollander voor! Men ziet deze grauwfactor alleen wanneer de dominante grijsfactor (G) aanwezig is. Volgens mij is het zelfs mogelijk dat wanneer men een op het oog normale zwarte ram met de volgende erfformule ABeCDg (dit is dus een normale zwarte waar de B factoren wel drager zijn van de E factor voor grauw) paart aan een konijngrijze voedster ABCDG, deze ijzergrauwe jongen geeft. In mijn eigen fokkerij paarde ik een bruine ram met een bruingrijze voedster; resultaat bruingrauwe en gouwenaargrauwe jongen. Beide ouderdieren hadden dus ook de gouwenaarfactoren!

Voedster    ABcDG      en bruine ram vermoedelijk           ABecDg .

                  ABcdG                                                           ABecdg      

 

Andere erffactoren die het verervingspatroon ingewikkelder maken zijn de Chinchillafactor en de Japannerfactor. De eerste factor is gekoppeld aan het Albinogen

                     achiBCGD

                     achiBCDG

De Japannerfactor is gekoppeld aan de recessieve b-gen bj. De zwarte driekleur Hollander heeft de volgende erfformule

                                                  AbjCDG

                                                  AbjCDG

De driekleur is te fokken in zwart, blauw, bruin en gouwenaar. De rassen die in driekleur verschijnen zijn Japanners, Rijnlanders, Papillions en ook Kleurdwergen.

De Hollander is in 22 kleuren erkend, de driekleur gouwenaar meegerekend, hoewel die mijns inziens tot nu toe nog niet is geshowd. Dit geldt ook voor gouwenaargrauw. In feite zijn dit kleuren die makkelijk te fokken zijn en zouden mijn inziens zonder dat daarvoor “de erkenningsprocedure” er op losgelaten wordt, erkend moeten worden!

De haaskleur is in principe een konijngrijs dier met liefst zoveel mogelijk roodfactoren wy, erfformule ABCDGwy.

 

De Hollander is in 21 kleuren erkend, daar zouden mijns inziens gemakkelijk aan toegevoegd kunnen worden de driekleur gouwenaar, beigegrijs oftewel de kleur van het ras Luchs (AbcdG) behorend tot de 7-rassenclub en de gouwenaargrauwe. Het totaal aantal erkende kleuren zou dan op 24 komen!

Deze bovenstaande drie genoemde kleuren zijn vrij gemakkelijk uit onze nu reeds bestaande kleuren te fokken! Raskruisingen zijn hiervoor niet nodig zoals destijds wel noodzakelijk was bij de creatie van de driekleur en de Chinchilla.

In de vorige eeuw zijn wel experimenten geweest om ook de zilverkleur, de marterkleur en het tan-patroon in de Hollanderkleur in te fokken. Voor experimentele fokkers is er dus nog genoeg te beleven. Begeeft men zich in deze experimenten, dan is een zeer goede kennis van de erfelijkheidsleer onontbeerlijk.

 

 

6. Kruisingsschema met drie kleurfactoren

De grijsfactor G laten we weg, dan blijven er over           BCD

                                                                                       bcd

Kruising van zuiver zwart        BCD   x  beige       bcd   geeft in deze kruising dan         BCD 

                                              BCD                     bcd                                                   bcd

jongen, allen zwart. Bij onderlinge paring van deze dieren krijgen we 23 = 8 combinatiemogelijkheden en 8 x 8 = 64 genotypes in 8 kleuren, fenotype. Per kleur is er ook hier slechts één fokzuiver.

 

Kleurentabel van een kruising van een volledige fokonzuivere zwarte (BbCcDd x BbCcDd)

Symbool

Kleur

aantal

BCD

zwart

27

BCd

blauw

9

BcD

bruin

9

Bcd

gouwenaar

3

bCD

madagascar

9

bCd

isabella

3

bcD

oranje

3

bcd

beige

1

 

 

64

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een recessief gen wegfokken uit een ras is welhaast onmogelijk. We zien dit ook bij de rundveefokkerij. Vele jaren heeft men gefokt om de zwartbonten ZZ vrij te krijgen van de roodbontfactor zz. Dit is in één eeuw niet gelukt. (Tegenwoordig worden deze eisen niet meer gesteld en fokt men roodbont en zwartbont door elkaar.)

Hetzelfde geldt voor erfelijke gebreken die op één gen berusten, bijvoorbeeld gladde tong en zinkgebrek bij runderen. Bij zinkgebrek worden de kalveren kaal en zijn niet levensvatbaar.

Deze voorbeelden verklaren ook dat bij doorgefokte zwarte Hollanderstammen plotseling bruine, blauwe of madagascar gekleurde dieren voorkomen. Met deze zwarte stam is niets mis en de bruine en blauwe of madagascar gekleurde dieren zijn best te gebruiken in de fokkerij. Denk maar aan het beste type van de zwarten! Voor typeverbetering zijn deze blauwen, bruinen en madagascars vaak ideaal!

De enige kleur die fokzuiver is, is de beige! Deze is namelijk recessief voor de kleurkenmerken bcd. De Luchskleur hoeft dit niet te zijn, de grijsfactor kan namelijk Gg of GG zijn. De laatste zijn fokzuiver. Maar kruist men toevallig twee Luchs gekleurde dieren die een Gg factor hebben, dan kan er ook een beige tevoorschijn komen. Uit madagascars (geelzwart) kunnen wel oranjes, isabella’s en beiges vallen. Uit isabella’s en oranjes kunnen wel beiges tevoorschijn komen wanneer ze fokonzuiver zijn, maar ze geven nimmer madagascars.

De oranje leent zich niet voor kleurkruisingen met madagascar, isabella en beige. Bij deze laatste drie willen we een sluier en bij de oranje niet!

 

 

7. Nog een klein erfelijk uitstapje

De kleurenfok is boeiend als men het bovenstaande leest. De grauwfactor namelijk geeft nog enige complicaties. Deze factor vererft intermediair, dat wil zeggen dat de kleur meer of minder donker is afhankelijk of de grauwfactor BDBD  is of BD Bd . De laatste zijn ijzergrauw, de eerste is staalgrauw. De eerste kleur is nauwelijks van zwart te onderscheiden, behoudens enkele grijze haren aan dek of in de flanken, maar soms in het geheel niet. De erfformule voor ijzergrauw zwart is BBDCCDDGG en die van staalgrauw BDBDCCDDGG.

Fokken we nu met een staalgrauwe maal een konijngrijze (we beperken ons tot de B-genen) dan ontstaat het volgende beeld:

    \       

B

B

BD

BDB

BDB

BD

BDB

BDB

Alle dieren zijn ijzergrauw in deze combinatie.

 

De gangbare combinatie is echter ijzergrauw x ijzergrauw. Dit schema ziet er als volgt uit:

    \  

BD

B

BD

BDBD

BDB

B

BBD

BB

In dit geval is één dier staalgrauw BDBD , 2 ijzergrauw BDB en één konijngrijs. Deze laatste is veelal wat donker konijngrijs. Het verervingspatroon is 1:2:1 en het gangbare is 3:1 bij dominant recessieve vererving. Een verhouding van 1:2:1 noemt men intermediair.

We kennen naast de ijzergrauwen ook de blauwgrauwen, de bruingrauwen en de gouwenaargrauwen. Vroeger maakte men op tentoonstellingen geen onderscheid tussen de grauwen (met gekleurde buik) en de grijzen met de witte buik die donker inblaast.

In Zwitserland is dit nu nog zo (en mogelijk in Duitsland ook???).

Wij hebben ze tot aparte kleuren verheven en dit is ook zo gezien het verervingspatroon.

 

 

8. De grondkleur ook erfelijk bepaald

Bij de blauwgrijze en de gouwenaargrijze zijn vaak “problemen” met de grondkleur aan dek, deze heeft dan de neiging wit te worden of op zijn minst heel licht te zijn. Deze kleur is volgens de standaard niet gewenst.

De Hollanderclub heeft aangegeven deze dieren niet voor de hoofdereprijzen te brengen maar ze niet geheel uit te sluiten. Bij jonge beiges ziet men dit verschijnsel ook, doch na enkele verharingen is het weg. Bij luchs (beigegrijs) is het een vereiste. Deze witte grondkleur aan dek is ook een kleurfactor en erfelijk bepaald. Dit geldt trouwens ook voor wit gekleurde haren in de gekleurde delen. Deze witte haren kunnen ook ontstaan door wondjes en zijn dan dus niet erfelijk bepaald!!

Op fraaie kleuren is goed te fokken, ook die zijn erfelijk bepaald evenals de tussenkleur bij de grijzen en de grauwen. Kortom alle kenmerken van onze dieren zijn erfelijk bepaald. Selectie brengt verbetering.

 

 

9. Verbeteringskruisingen

Bij de zwarte Hollanders vindt men in het algemeen de beste type en bouw dieren. Een beste zwarte kan bij de andere kleuren op dit punt voor verbetering zorgen en dat wordt ook toegepast. De zwarte past goed bij blauw, bruin, gouwenaar, madagascar en ook wel bij de “grijzen” en de “grauwen”.

Dergelijke kruisingen vergen wel overleg. Het moet een zwarte zijn, kan voedster of ram zijn, uit een zeer goede bouw en type stam! Maar ook een stam waar de tekeningvererving zeer goed verankerd is. Dit houdt dus in dat het niet zomaar een zwarte moet zijn.Is de zwarte fokzuiver voor kleur dan is de eerste generatie jongen (de F1) geheel zwart, maar fokonzuiver voor kleur. Deze zwarten (F1) terugparen aan de oorspronkelijke kleur geeft al direct resultaat.

Zwart fokzuiver is CCDD. Blauw fokzuiver is ccDD. De F1 kruisingsdieren zijn CcDD. Paart men deze F1 dieren onderling dan krijgt men drie zwarte en één blauwe, 3:1.

    \  

CD

cD

CD

CCDD

CcDD

cD

CcDD

ccDD

 

Paart men de F1 terug aan de blauwe ouder dan ziet het schema er als volgt uit:

blauw   \   zwart

cD

CD

cD

ccDD

CcDD

cD

ccDD

CcDD

De helft van de jongen is blauw, de andere helft is zwart doch fokonzuiver. Ze hebben namelijk de grote C en de kleine c (Cc).

Voor alle andere kleuren kan men hetzelfde toepassen. De kleur oranje leent zich er niet voor. Door praktische ervaringen wijs geworden blijkt de combinatie driekleur x oranje zeer goed te werken. Beste type driekleur paren aan oranje geeft in de eerste generatie driekleuren met niet geheel goede driekleurtekening. Het mes snijdt hier aan twee kanten. De licht getekende driekleuren uit de F1 generatie terugparen aan de oranje geeft weer goede oranjes met hopelijk een beter type en bouw. De omgekeerde kruising van de F1 met de meeste driekleurachtige getekende dieren aan de oorspronkelijke driekleur geeft weer een knappe driekleur met als voordeel een betere oranjekleur!

 

 

10. Slot

Het fokken van Hollanders is een boeiend spel. Een goede kennis van de erfelijkheidsleer is mooi meegenomen maar een goede kijk op dieren evenzeer. Men moet als fokker wel goed zien wat een best dier is van type en bouw, wat de fraaiste tekening is en hoe de kleur moet zijn. De selectie in de fokdieren moet op deze punten zeer zorgvuldig zijn. Dit geldt ook voor het samenstellen van de fokparen. Het oog van de fokker is daarbij onontbeerlijk!

 

 

Alkmaar, november 2004

Jan Zijlstra.

 

Terug